schrijfsels
 

Maupie


Van sommige gebeurtenissen, ogenschijnlijk klein en onbeduidend, wordt soms pas achteraf de betekenis begrepen. Ze maken deel uit van een opeenvolging van schokbewegingen in de tijd die nauwelijks worden geregistreerd en zo dit wel het geval is, doorgaans als niet belangrijk beschouwd. Omdat onze aandacht aangetrokken wordt door het grote gebaar waarvan de schaduw evenwel als gevolg van wijzigingen in de zonnestand de contouren van het onopvallende des te heller doet oplichten. De dood van Maupie was een historisch moment. In dubbel opzicht. Wie getuige was zag een ster die ter aarde stort.

Maupie werd geboren in 1937. Zijn moeder was een poolhond, zijn vader naar alle waarschijnlijkheid een wolf die in een onbewaakt moment een van de honden van de Kortenaerexpeditie op Spitsbergen bezwangerd had. De expeditie die de naam droeg van de initiatiefnemer, professor in de Microbiologie aan de Landbouwhogeschool in Wageningen, had als doel in het hoge noorden onderzoek te verrichten naar het reproductievermogen van schimmels en microbacteriën onder extreme, vooral koude omstandigheden. Na afloop werd besloten de jonge hond, nog speels en aantoonbaar  slim, naar Holland mee terug te nemen.

Vanaf het ogenblik dat hij deel uitmaakte van het huishouden van K. voltrok zich een ingrijpende verandering in het dier. In het aanvankelijk zo vriendelijke karakter leek een kentering te zijn opgetreden, waarvan de oorzaak in het ongewisse bleef. K. was niet  geliefd bij zijn buren. Zijn arrogante houding gevoegd bij zijn Duitse sympathieën die openlijk aan de dag traden na het Spitsbergen avontuur, droeg ertoe bij dat veel van zijn collega’s meestal na heftige woordenwisselingen niet meer onder hem wensten te werken en zich tot het bestuur van de Hogeschool wendden. Hoewel hij niet kon rekenen op volle steun uit de leiding wenste men hem niet te berispen aangezien zijn onderzoek in het buitenland grote faam verworven had waarin de Hogeschool deelde. Wel verschenen er in het Hogeschoolblad spotprenten waarin de hond als de waakzame verdediger van de democratie werd afgebeeld die zijn baas de les las. Tot groot ongenoegen van K. die met de dag onaangenamer op zijn omgeving reageerde. Op de hond werd zijn ongenoegen afgereageerd. Het ergerde hem dat het dier soms urenlang stil bij de haard kon blijven liggen zonder zijn ogen ook maar een ogenblik van hem af te wenden. Waarop hij besloot dat hij het huis uit moest.

De enige die de hond kon aanhalen was Gerben Meurs, de amanuensis. Hij aaide hem over zijn volle witte vacht en sprak lieve woordjes. De hond week sindsdien niet meer van zijn zijde. Als K. het laboratorium betrad waar Meurs na een werkcollege de instrumenten aan het schoonmaken was, gromde de eens zo zachtmoedige tot zijn baas tot deze het lokaal weer had verlaten. Nadat als gevolg van de oorlog de colleges waren gestopt was de hond alleen nog in het tuinhuis naast de collegezalen te vinden waar Meurs praktisch al zijn werkzame tijd in doorbracht. Het duurde dan ook niet lang of hij kreeg  onverwacht bezoek van zijn baas met de mededeling dat hij besloten had afstand te doen van zijn hond en of Meurs er niet voor voelde “de bastaard” mee naar huis te nemen. Hij wenste hem niet meer op het terrein.

De hond was een voorbeeldige huisgenoot in het nieuwe gezin, al moest Alie wennen aan zijn doordringende ogen die haar overal in huis volgden. Hij liet zich graag aanhalen en knorde van genoegen. In de winter zocht hij de greppel aan de overkant van de weg op. Daar begroef hij zich in de sneeuw terwijl de wind om de huizen gierde en alleen zijn neus zichtbaar bleef. Maar het liefst was hij buiten en lag meestal op zijn vaste plekje naast het fietspad tegen het hek en volgde iedere voorbijganger nauwlettend maar ook nieuwsgierig. Tot die bewuste dag in september 1944. Angst maar meer nog grote vreugde maakte zich meester van de bewoners aan de lange zandweg die al de hele dag grote groepen vliegtuigen laag over hadden zien komen. Maupie had zijn vaste plek verlaten en jankte rusteloos tegen het geluid van de overvliegende eskaders. Uit de bossen flitsten vuurkogels. Iedereen was uitgelopen om maar niets van het gebeuren te hoeven missen. Toen Gerben op keek naar een Dakota die wel erg laag overkwam zodat de grote blauwe ster goed zichtbaar was trok hij een wit weg. Het gevaarte kwam recht op het huis af en hij vreesde het allerergste. Heel even stierf het motorgeluid weg waarna met donderend geraas de katrol waarmee het zweefvliegtuig aan het toestel was verbonden boven het huis werd afgeworpen en het dak aan splinters sloeg. De weg lag bezaaid met dakpannen, houten dakbeschot en huisraad. De keuken lag in puin. Maar voor hij zich goed en wel kon realiseren hoe groot de schade aan huis en inboedel was voelde hij een intense pijn net boven zijn linker enkel. Hij veegde zijn hand onwillekeurig over de plek en vond die vol bloed. Maupie was hem door al het getier en geraas aangevlogen.

Zijn tanden stonden diep in de huid. Er moest direct gehandeld worden. Hij riep naar  Alie die op dat moment op het toilet verbleef. Boven zich had ze de knal gehoord waarmee het dak uiteen spatte waarna ze direct begreep dat ze aan een groot gevaar ontsnapt was. Later die dag zou ze in de kelder tussen de weckflessen het loodzware gevaarte waaraan ze per toeval ontkomen was aantreffen. Nog verdoofd ondersteunde ze samen met opoe die inwoonde de hinkende Gerben en loodste hem de voorkamer binnen die nog intact was. Bij de buren werd water opgezet om drukverbanden aan te brengen en de wond te reinigen. Buurman wilde de hond direct doodslaan maar Gerben wilde er niet van weten en liet de greep uit voorzorg door Alie in het schuurtje opbergen. Vanaf die dag droeg de hond een muilkorf die hij niet meer zou afdoen.

De klap van de oorlogsjaren was hard aangekomen. Het land lag er versuft bij en geen boer waagde zich nog op zijn akkers. Daar heerste een stilte die wachtte om van zijn beklemming te worden verlost. De daken moesten als eerste worden hersteld. Het hamergeklop, zacht en bescheiden, droeg ver over de nog kale velden. Kleine kinderen snoven de geur op van brandend aardappelloof en liepen met een respectabele boog om de gemuilkorfde hond, die als vanouds zijn plekje naast de heg weer had ingenomen. Nieuwsgierig als altijd keek hij de lange weg af en begroette de fietsers en een enkele auto met vreugdevol gegrom. Als dank werd er door benen naar hem geschopt en kreeg ook Gerben het zwaar te verduren. Gerben die zijn hond beter begreep dan ieder ander.

Het was in het vroege voorjaar van 1955. De zandweg had plaats moeten maken voor een brede asfaltweg, waardoor de voortuinen aanzienlijk waren ingekort. Daardoor was Maupie zijn plaatsje bij de heg kwijt geraakt en liep sindsdien rusteloos heen en weer van de straat naar het schuurtje en terug. De nieuwe weg die nog maar een dag was opengesteld was nog zo goed als verlaten. In de namiddag bij het geluid van de naderende vrachtwagen stoof hij als gebruikelijk het hek uit de straat op. De bestuurder van de oude Chevrolet van vooroorlogse makelij trok op het laatste moment zijn stuur om maar kon niet voorkomen dat het achterwiel de hond even raakte. Als verdoofd bleef hij staan, meer van schrik dan door pijn, waardoor de achteropkomende Oldsmobile van dokter Wildeboer hem niet meer kon ontwijken. Maupie stierf nog dezelfde dag en werd begraven onder de pereboom naast het schuurtje waar hij altijd ‘s nachts te vinden was. De buurt was in diepe rouw. Niet omdat de hond zo geliefd was. Maar hij hoorde er zo bij. Ook toen de nieuwe weg was aangelegd.

Met de dood van Maupie was voor Gerben een nieuwe oorlog begonnen terwijl de oude nog in zijn hoofd zat. Voor hem was het einde van Maupie onlosmakelijk met de aanleg van de nieuwe weg verbonden. Het begin van de nieuwe tijd. De nieuwe weg die de scheidslijn betekende tussen de oude en de nieuwe tijd. Nog altijd staat het huis aan de inmiddels zeer drukke verbindingsweg. Maupie ligt nog altijd aan de weg terwijl hij  nieuwsgierig naar mij op kijkt. Zacht grommend als ik even over zijn kop en oren aai.

Lente


lente

begint

met heel voorzichtig

tegendraads

een strootje

stroomopwaarts

en watervallen

die

in omgekeerde

richting

boomopwaarts

in stil geruis

kleine blaadjes

open vouwen




Chevrolet Bel Air


Vliegen ruiken het

vlees door de tralies

van mijn droom

Te klein balkon of

stinken de bumpers?




Zuidlaren


In Zuidlaren staat een

sjoeltje aan de brink

omgeven door hoge bomen

vanbinnen geurt het nog

naar paardenlijven


Ik zal de gazzan vragen

of ik voor je mag zingen

het licht van je jurk en tien

dode gezinnen

over bloemen, de korenschoven

op de es, de slingerende paadjes

en de liefde


Er hangt een nestkastje aan

de muur. Vogel op mijn rug.




Stad


Jean-Jacques, ik ga

de stad in, trek mijn mooiste

kleren aan, witte sokken, snelle

broek.

In een oude Chevrolet rem ik

het stof van dode vulkanen

bijeen, krankzinnige steden die

zich van hun havens ontdoen.

Dromen die langs

hoogspanningsmasten

wegvluchten voor de dageraad

met de valse

wimpers van driemasters

in de ochtend




Afscheid van de zee


branding

wit beschenen

korenvelden

waar

uit

bloesem

maanlicht

werd

gewonnen




Regenwulp


De zon is uit de nacht

en in mij opgestaan

Ik voel me licht en warm


en als ik door de velden ga

zoekt stil een regenwulp

in mijn nabijheid plaats


Weet God hoe de aarde voelt?



Woorden van veraf gezien

groepen soms samen tot sterrebeelden

dichterbij gekomen

zijn het wonderlijke

op zichzelf staande werelden

die niets gemeen hebben


Langs een weg met bloemen op de wind

heuvel op, heuvel af

kleine dorpen verborgen in de velden

meestal zijn er rotsblokken

en hoge kronen van heel oude bomen

waar omheen de schittering van water

die zigzag strepen trekt voorbij de horizon


De aarde voelt, zij kan niet anders

een zware goederentrein, vijf locomotieven

jagen hun claxons voor zich uit

bij elke overgang vertraagt

drinkt koffie boven stalen wielen

bij nadering en... voor wie opkijkt


Rammelt door achtertuinen, leegten tussen huizen

schuurt over bruggen, dreunt diep door in onderaards gerommel

verbaasde stations

dan weer in volle vaart de velden in

langs rotsen, wegen, de bedding van rivieren

Claxons en alsmaar claxons in de bergen

een arend als een steen los van zijn rots

zweeft vastgeklonken aan zijn schaduw

Schreeuwt!


En dan de oceaan

de geur van zoute wind

het licht vergeeld en vlokkerig als mist

Ik doe mijn ogen dicht

om de diepte van de oceaan te kunnen horen

een schip dat mijlen uit de kust

dichtbij een zagerij: de geur van hout en zuur

de blikfabriek die samen woonde met geluiden

tot op een dag de lieren en machines zwegen

en overdag en ’s nachts alleen het brullen

van de zeeleeuwen

op de rotsen van het havenhoofd


Een huis dat lommerrijk

uit eeuwenoude bomen lijkt te zijn gebouwd

de kronen onbedwongen witte vlekken

tropisch regenwoud

de bronnen van de anti-tijd


Loop jij het lange zandpad af

het late licht dat naar omhoog

de schaduw van je benen veegt

als wolk van schaamhaar

eindigt in een sterreloze nacht

geurloos en zonder leven van veraf

maar van dichtbij

de hellingen die gonzen van het fruit

rondom een grootse sterrewacht


Wij zijn de zintuigen van een God

die zonder ons niets hoort, niets ruikt, niets voelt