schrijfsels
 
Enkele gedichten:



zomer in Haderslev

wanneer je
naast en in me
bijna gloeide
in het warme donker
zag ik hoog
boven
ons dubbele nylondak
kleine witte stipjes
achter mijn ogen
ze waren met zoveel
dat ik al snel
de tel
kwijtraakte: ik kon ze 
alleen nog
voelen



op een Harley Davidson

koud
tot op het bot
nu eens god
dan weer
een zot
stalen kooi belet
angsten even
buiten spel gezet



uitzicht

een stap vooruit
geen weg meer
terug
grauwe vogels
om mij heen

in de verte
godsalleen
een man
met een kruis



wij

onherbergzaam
het woud
dat - roekeloos -
wij betraden
woud zonder paden
nergens een
open plek

meedogenloos
de zwarte bomen
kronen reikend
naar een verre zon
die woud in goud
veranderde
en jou en mij
in wij



Vader

vlak voor de oude
hemelpoort
wasten engelen
door niemand nog
gehoord
alle vuil- en
moegezworven
woorden wit

en mijn vader
in zijn leunstoel
beide handen
onder zijn nieuwe hoofd
las in het lege boek
vol dorre bladen
de gestorven letters
die een voor een
in het goud
daarin verschenen

ik wist het, riep hij uit
en al zijn bleke vrienden
zwegen
kijk, hier staat het
zijn ogen lichtten even
in zijn ingekeerde hoofd
terwijl hij aarzelend
de blik van God zocht
deze knikte
ik heb altijd in mijn kind  
geloofd



Rouen

mijn angst rook naar
wijwater, gotische hemel
boven ons hoofd
haar gewelf bedolf
de hoop, alweer
niet in staat om de 
hele beker leeg te drinken

ogen dicht

jij voerde mij genadig
naar de overkant
het was minder
ver dan ik vreesde



op de kleintjes letten

twee glanzend
aaneengebakken
broodjes
in de schappen
bij ‘s lands grootste 
kruidenier
jij
naakt in de zon
je hand op mijn buik
overal vogels
om ons heen
ik hoor de rivier al

bonus?
airmiles?
mevrouw?

Hij had nauwelijks geslapen die nacht. Het idee dat hij nu al een halve eeuw oud was overweldigde hem. Hij kreeg er vreemde gedachten van. Was hij wel de koning die hij moest zijn? Was hij goed voor zijn land? Deed hij genoeg voor zijn onderdanen? Hij vroeg zich af of er genoeg liefde in hem was. Ook voor zijn vrouw. Hij gaf haar zoveel geschenken dat ze er bijna in omkwam, maar was dat voldoende? Wilde ze niet iets anders? Of hijzelf… Iets… iets… En zou er niet ergens een… Hij kwam er niet uit.

Na urenlang woelen en draaien was hij om vier uur opgestaan, veel vroeger dan normaal. In zijn nachthemd en op blote voeten rende hij een flink stuk extra. Eerst dwars door het nog slaperige stadje en daarna door de bedauwde weilanden aan de voet van de berg. Toen hij, weer aangeland bij het kasteel, hijgend over het kiezelpad langs de keuken liep, voelde hij zijn maag knorren. Na al die kilometers had hij een beste trek gekregen. In de provisiekast zou vast wel iets eetbaars te vinden zijn. Toen hij de keukendeur opende, kwam een heerlijke geur hem tegemoet. Tot zijn verbazing was bijna de hele keuken gevuld met taartdozen. Op iedere doos stond in donkerrode cijfers ‘50’ en boven dat getal een gouden kroontje.

Voorzichtig maakte de koning een van de dozen open: die zat helemaal vol met appelflappen. Hij opende nog een doos: weer appelflappen. En nog een en nog een. Het moesten er duizenden zijn. Het water liep hem in de mond.

Langs een van de wanden stonden grote groene mandflessen met een vloeistof erin. Hij stak zijn vinger in de hals van een fles, rook eraan en ontdekte dat het wijn was. Bosbessenwijn. Van een uitmuntende kwaliteit. Lekker zoet.


Het was heel stil binnen. De koning stond een beetje besluiteloos tussen al die lekkernijen. Een veldmuisje schuifelde door de keuken, snoepend van de kruimels die het tussen de tegels vond. De koning grinnikte en knikte het muisje vriendelijk toe. Misschien woonde het in een van de provisiekasten en kwam het elke ochtend tevoorschijn, op zoek naar kruimels die ontsnapt waren aan de driftige bezem van de koksjongen die de vloer aanveegde tegen het einde van de dag.

De koning besloot het niet tegen het keukenpersoneel te zeggen, anders was het diertje zijn leven niet zeker.

Hij glimlachte en had het gevoel dat hij een verbond sloot met het ijverige schepseltje. Het leek warempel of het even met een voorpootje naar hem zwaaide!

Dit beestje is in het geheel niet bang voor mij, dacht de koning. Knabbelend aan een dikke broodkruimel keek het met heldere kraaloogjes de wereld in van potten en pannen. Het zat vlakbij de blote voeten van de majesteit. Die bleef doodstil staan, want hij wilde niet het risico nemen het diertje te verjagen. Toch bewoog even zijn grote teen. Er zat een piepklein steentje onder dat hem irriteerde. Het muisje hield op met eten en stak zijn snuitje loerend omhoog. Maar al gauw besloot het dat er geen gevaar was. Onbekommerd smulde het verder.


De geur in de keuken had de koning extra hongerig gemaakt. De appelflappen zagen er zo lekker uit. Bovendien was hij jarig vandaag.

Hij nam het koninklijk besluit om een appelflap te proeven. Daarna nam hij het koninklijk besluit er een flink glas bosbessenwijn bij te drinken. Per slot van rekening wordt ook een koning maar één keer vijftig!

Voorzichtig, om zijn vriendje niet te laten schrikken, liep hij naar een van de keukenkasten en nam er een donkerrood bord uit met een gouden randje. En ook een groot kristallen glas. Op het bordje legde hij de grootste appelflap die hij kon vinden. Dan tikte hij even met zijn duim en middenvinger tegen het glas om naar de fraaie klank van het kristal te luisteren. Vervolgens probeerde hij wat van de wijn uit een van de zware flessen in een pan te gieten. Een flinke scheut kletste eroverheen op de tegels.

Het muisje schrok en maakte dat het wegkwam.

‘Pardon, Minimuis.’

Hij keek beteuterd rond, maar het beestje was verdwenen.

‘Wat jammer nou, kleine feestneus. Je was net zo’n prettig gezelschap.’

Met een soeplepel schepte de koning zoveel wijn in het glas dat hij die nog net erin kon rondwalsen. Hij deed dat langdurig en met veel genoegen. Dan keek hij naar de diep paarsrode kleur, stak zijn neus in het glas, snoof de geur op en sloot verrukt zijn ogen. Maar het proeven stelde hij nog even uit. Hij zette het glas op de enorme keukentafel, ging op een bankje zitten, brak een stukje van de appelflap en gooide dat op de grond.

Voorzichtig kwam het muisje tevoorschijn.

‘Ah, daar ben je weer. Gelukkig maar.’

De koning strooide nog wat stukjes op de vloer.

‘Alsjeblieft, jij ook wat’, zei hij. ‘En nu ik.’

Opgewonden wreef hij in zijn handen en propte een groot stuk appelflap in zijn mond.

‘Mmm... niet gek’, mompelde hij, zijn lippen afvegend met een droogdoek die nog op tafel lag.

Daarna hief hij eindelijk het glas.

‘Santé Minimuis, op mezelf.’

Hij nam een flinke slok.

‘Heerlijk, heerlijk.’

Hij hield het glas tegen het ochtendlicht dat door de keukenramen scheen en keek nogmaals naar de kleur.

‘Kwaliteitswijntje.’

En blij dat er eens een keer niemand op hem lette, dronk hij in een keer het hele glas leeg. Hij klapte in zijn handen van plezier. Het muisje verdween schichtig door een gat in de muur achter het fornuis. Maar de koning merkte het niet. Hij at de ene appelflap na de andere en schonk zichzelf vele glazen wijn in. ‘Op de koningin!’ - ‘Op mijn volk!’ - ‘Op Minimuis!’ - ‘Wat drommel: op MIJ!!’



Uit: Het geschenk van de koning

                      


---------------------------------------------------------------------

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------

            home - Maria - over Maria - Maria in het kort - werk -

muziek - schrijfsels - tentoonstellingen - publicaties


terug naar bovenaan de bladzijde

<< terug naar MariaMaria.htmlMaria.htmlshapeimage_5_link_0