schrijfsels
 

zomer in Haderslev


wanneer je

naast en in me

bijna gloeide

in het warme donker

zag ik hoog

boven

ons dubbele nylondak

kleine witte stipjes

achter mijn ogen

ze waren met zoveel

dat ik al snel

de tel

kwijtraakte: ik kon ze

alleen nog

voelen




op een Harley Davidson


koud

tot op het bot

nu eens god

dan weer

een zot

stalen kooi belet

angsten even

buiten spel gezet




Vader


vlak voor de oude

hemelpoort

wasten engelen

door niemand nog

gehoord

alle vuil- en

moegezworven

woorden wit


en mijn vader

in zijn leunstoel

beide handen

onder zijn nieuwe hoofd

las in het lege boek

vol dorre bladen

de gestorven letters

die een voor een

in het goud

daarin verschenen


ik wist het, riep hij uit

en al zijn bleke vrienden

zwegen

kijk, hier staat het

zijn ogen lichtten even

in zijn ingekeerde hoofd

terwijl hij aarzelend

de blik van God zocht

deze knikte

ik heb altijd in mijn kind 

geloofd




Rouen


mijn angst rook naar

wijwater, gotische hemel

boven ons hoofd

haar gewelf bedolf

de hoop, alweer

niet in staat om de

hele beker leeg te drinken


ogen dicht


jij voerde mij genadig

naar de overkant

het was minder

ver dan ik vreesde




op de kleintjes letten


twee glanzend

aaneengebakken

broodjes

in de schappen

bij ‘s lands grootste

kruidenier

jij

naakt in de zon

je hand op mijn buik

overal vogels

om ons heen

ik hoor de rivier al


bonus?

airmiles?

mevrouw?

Vanuit haar torenkamer staarde de koningin naar de blauwe lucht, waarin vrolijke witte wolken dreven. Heel vaak al had zij hier gezeten, zich verliezend in het grillige spel van de wind en de wolken. Zij zag hoe die veranderden in schapen en kamelen, in wonderlijke zeeën en vergezichten, in grote vogels en engelen met enorme vleugels, in olifanten die staart-aan-slurf achter elkaar aanliepen om vervolgens te vervagen en te veranderen in een bonte kermisstoet.

Coco zat spinnend op haar schoot, haar onophoudelijk kopjes gevend, terwijl ze hem zachtjes over zijn rug aaide. Coco was het allerliefste cadeau dat ze ooit van de koning had gekregen. Hij had het beestje verpakt in een hoedendoos met een grote strik eromheen waardoor ze dacht dat ze weer een nieuwe hoed kreeg. Ze glimlachte bij die mooie herinnering.


Eén wolk kreeg de vorm van een dikke reus. Hij leek een beetje op de koning. Die zal wel weer slapen, dacht ze. Ze zag hem duidelijk voor zich met zijn grote lijf. Kon ze nog wel, nu hij zo dik en vadsig was geworden, kon ze nog wel van hem hou...

Ze schrok van deze gedachte. Want die was zo geheim dat zij haar niet eens wilde denken. ‘Weg ermee’, zei ze hardop. Het beeld van de koning verdween, maar onmiddellijk kwam het scherpe gezicht van de staatssecretaris ervoor in de plaats. Al sinds lang had ze het gevoel dat hij probeerde haar echtgenoot de kroon van het hoofd te stoten. Eigenlijk had ze hem vanaf de eerste dag al niet vertrouwd. Ze begreep niet waarom de koning, die toch altijd een goede neus voor mensen had, ooit met hem in zee was gegaan. Maar dit was volstrekt onbespreekbaar.

De koningin zuchtte diep. Ze werd steeds verdrietiger. Maar ook werd ze boos. En die boosheid nam met de dag toe, koninklijke hoogheid of niet. Omdat de koning niet wilde zien in wat voor gevaar het land verkeerde en omdat hij de staatssecretaris gewoon zijn gang liet gaan. Zag hij werkelijk niet wat deze man aanrichtte? En dan de manier waarop ze haar gemaal aantrof! Er moest iets gebeuren. Maar wat? En hoe?

De vorstin dacht lang en diep na. In haar voorhoofd verschenen rimpeltjes. Ze krabde zich op het hoofd, trok aan haar haar en beet zenuwachtig stukjes van haar lange zilveren nagels.


Vermomd als marskraamster ging de koningin de volgende morgen op pad. Flarden mist hingen als dunne sluiers om de top van de rots. Het kasteel was nog juist te zien. Het was nog vroeg en kouder dan ze gedacht had. Op haar zacht leren platte schoentjes hobbelde ze het rotsige pad af naar het dal.

In haar mandje lagen, behalve wat koopwaar, twee appels en een briefje. Met een stompje potlood had haar tante geprobeerd een plattegrond te tekenen van de weg die de koningin moest afleggen.

Het begin daarvan was gemakkelijk te vinden, maar er bleken veel meer paadjes en weggetjes te zijn dan op de tekening stonden. Bovendien werden door de mist soms delen van de omgeving aan het zicht onttrokken.

Paniek overviel de vorstin. Ze dwaalde graag, in allerlei vermommingen, in de buurt van het kasteel wat rond, maar hier was zij nog nooit geweest.

Het pad waarop ze nu liep was heel smal en kronkelig. Haar voeten begonnen pijn te doen door de vele steentjes die ze scherp onder haar dunne zooltjes voelde prikken. Dit pad ging waarschijnlijk in de richting van de moerassen. Aan beide kanten groeide doornig struikgewas. Ergens in de verte klonk de schreeuw van een vogel. De koningin huiverde en trok haar dunne, versleten jas dichter om zich heen.


Bij een tweesprong bleef ze staan en haalde voor de zoveelste keer het briefje uit haar mandje. Maar ze kon nauwelijks wijs uit de beverige lijnen.

Op goed geluk sloeg ze rechtsaf en liep een poosje door: er was geen enkel huis te bekennen. Wel de restanten van wat ooit een schuurtje geweest moest zijn, met een totaal verwaarloosd stuk land eromheen.

In gedachten verzonken trapte ze bijna op een dikke zwarte tor die vlak voor haar het smalle pad overstak en in de dichte struiken verdween. Meteen achter de eerste tor kroop er nog een, en nóg een… De koningin schrok. Ze stopte en ze besloot terug te keren naar de wegsplitsing.

Op dat moment brak laaiend de zon door. Alles om haar heen leek in brand te staan. De mist was in enkele seconden opgelost en maakte plaats voor een strakblauwe lucht. De wereld waarin ze terugliep leek een andere: kleuriger, feller, warmer.

Toen ze weer bij de tweesprong kwam, lag in het centrum daarvan een grote, gladde steen. Ze kon zich niet herinneren die zo-even gezien te hebben, maar ze was blij met de steen en gebruikte hem als bankje om even uit te rusten. Ze deed haar jas uit, want het was opeens veel warmer geworden. Netjes vouwde ze hem op en legde hem in het mandje. Haar hoofddoek deed ze ook af, er was toch niemand in de buurt die haar zou kunnen herkennen. De twee glimmend rode appels lachten haar toe. Die was ze helemaal vergeten. Met haar ogen dicht genietend van de zonnestralen at ze langzaam een ervan op totdat er niet meer dan een heel klein kroosje overbleef, dat ze in het gras gooide. Het werd onmiddellijk opgepikt door een kraai die er krassend mee wegvloog.


Ze ging weer op pad, verloor het briefje, maar uiteindelijk vond zij, verscholen tussen het riet, een piepklein huisje dat voldeed aan de beschrijving van haar tante.




Uit: ‘Krokante appelflappen zei de koningin’

                      


<< terug naar MariaMaria.html